Oorlogsjaren

Het onderduikershol is ontstaan in juni 1943 toen Jacob Wiersema wilde onderduiken omdat hij zich als reserve officier moest melden bij het Duits gezag. Hij vroeg toestemming aan Everhard Everts, destijds eigenaar van het bos, om een aantal verzetsmensen van een schuilplaats te voorzien. Nadat Everhard uitvoerig met z’n vader had overlegd of ze hier op in moesten gaan hebben ze uiteindelijk besloten het toe te staan. Wiersema zette eerst een tent neer is toen in een heuvel het hol uit gaan graven. Het dak werd gevormd door uit het bos gekapte stammen, waarna het werd afgedekt met heideplaggen en een laag bosstrooisel. De schuilhut was van vier kanten bereikbaar.

In eerste instantie was er plaats voor twee personen: Jacob Wiersema en ds. Kramer. Zij hebben 6 maanden in de hut gewoond. Het filmfragment hieronder betreft waarschijnlijk het moment van uitbreiding voor de huisvesting van een derde persoon, Douwe de Vries. In het filmfragment is Jacob Wiersema o.a. te zien bij 0:16 en 0.43. Douwe de Vries bij 1:29 en ds. Kramer is kort te zien bij 2:04 waarbij hij zich omdraait en in de camera kijkt. Alle drie bewoners hebben de oorlog overleefd. Na mogelijke ontdekking door Dik Bennebroek, alias Dik Botterweg, agent van de SD uit Tiel, is de hut tijdig verlaten. Later zijn er weer andere mensen in de hut getrokken.

Koeriersters reden over het zandpad eerst voorbij het hol naar een klein vijvertje in de buurt, tilden dan hun fietsen op en liepen vanaf daar door een greppeltje naar het hol. Dit deden ze om bandensporen te voorkomen die naar het hol zouden kunnen leiden. Binnen werd gestookt op butagas want dat veroorzaakte geen rook. Er was een radio aanwezig en licht werd verkregen van batterijen. Bij het hol werd ook een waterput gegraven en vermoedelijk zijn er kuilen geweest waar het afval in werd gestopt en waar de uitwerpselen in moesten verdwijnen. Het hol was zo goed gecamoufleerd dat men binnenin de herten over het dak kon horen lopen.

Foto hol uit de oorlog

Het hol tijdens de oorlogsjaren

Jacob Tjassens uit Anloo, voor de oorlog de ‘wilddrager’ van Wiersema, zette op een vaste plek in het bos brood en melk neer. In de hut was een luchtbuks aanwezig waarmee wild werd geschoten en ook werden er strikken gezet zodat aan eten geen tekort was. Als het nodig was legde Tjassens op een vooraf afgesproken plek stro neer waarna de bewoners van het hol ‘s-nachts met een zak stro op hun rug en op hun buik door het bos strompelden en vaak struikelden, waarbij er veel werd gelachen.

Begin 1944 werd het hol verder uitgebreid en als hoofdkwartier ingericht voor de OD (OrdeDienst, verzetsbeweging opgericht door oud-militairen om na de bevrijding de orde te handhaven) en kreeg het de naam K18, een codenaam afgeleid van de Nederlandse onderzeeër K18, die dienst heeft gedaan van 1934 tot 1942. Waarom deze codenaam werd gebruikt is onduidelijk.

In September 1944 was een groep van ongeveer 200 Duitse soldaten op het heideveld in het Evertsbos bezig met een oefening toen ze toevallig het onderduikershol ontdekten waar op dat moment 8 verzetsstrijders bivakkeerden. Wel hadden zij iemand op de uitkijk staan, dus nadat alarm was geslagen rende iedereen een andere kant uit, precies zoals van tevoren was afgesproken.

Pieter Schreuder die ook moest vluchten werd door twee koeriersters rennend op een zandpad aangetroffen. Zij hebben Schreuder naar het landhuisje van Everhard Everts gebracht en zijn zelf verder gevlucht. Everts stuurde hem meteen weer weg omdat hij verwachtte dat de Duitsers hier binnen de kortste keren zouden langskomen en zei dat hij het Anlooer-diepje richting Schipborg moest volgen waar hij wel een schuilplaats zou kunnen vinden. Hij is er inderdaad in geslaagd uit handen van de Duitsers te blijven, maar werd uiteindelijk op 7 februari op z’n onderduikadres in Hoogkerk verraden en door de Duitsers opgepakt.

Hol einde oorlog

Wat er over was van het hol in Mei 1945

De Duitsers wisten uiteindelijk toch drie vluchters in het Evertsbos te pakken. Dat waren Harm Molenkamp uit Eenum, Jacob Bruggema uit Veendam en Gerard Oosting uit Haren. Zij werden na dagenlange zware verhoren in het Scholtenhuis in Groningen doorgestuurd naar kamp Westerbork waar ze zijn gefusilleerd.

In het hol werden, na de ontdekking door de Duitsers, persoonsbewijzen, drie pistolen en veel distributiebonnen gevonden waarna ze het hol in brand staken en met handgranaten totaal vernielden.

Reacties gesloten