Unico Evert Alberda

Het nieuwe luik naar de gerestaureerde grafkelder in de Magnuskerk, met daarop het familiewapen Alberda.

Ritmeester Unico Evert Alberda (1714-1796) was een telg uit een voorname adellijke Groninger familie. Zijn oom Unico Alberda was een bekende Groningse jonker en politicus en heer van de Menkemaborg in Uithuizen en van de borg Dijksterhuis in Pieterburen.
Unico Evert (ook gespeld als Everd) was heer van een havezate in Paterswolde met de naam Vennebroek (!). In 1746 kocht hij het ‘Huis te Anloo’, de borg die we nu kennen als havezate Vennebroek, van de erfgenamen van Coenraad Samuel Nijsingh. Er was eerder sprake van ruiling dan van verkoop: ‘Den 20 Februari heeft de Heer Ritmeester Alberda tot Vennebroek betaald de 40ste penning van sevenduisent negenhonderd en agt en tagtentich gulden, zijnde penningen door zijn Hoogh Welgeb. op de koop of ruiling van het huis en de goederen te Anloo, tegen het huis de Vennebroek te Eelde of Paterswolde aan Mevrouw de weduwe en Erfgenamen van wijlen de Heer Secretaris S. Nijsingh toegegeven.’ Hieruit volgt dat het huis te Anloo klaarblijkelijk 7.988,00 carolusgulden meer waard was dan Vennebroek te Paterswolde.

Het huis te Anloo kreeg pas na deze ruil, in 1747, de naam Vennebroek. Alberda had bij de ruil met Nijsingh het recht van havezate behouden en diende een verzoek in bij de landsdag tot verlegging van dit recht op zijn nieuwe huis. Ridderschap en eigengeërfden keurden dit zonder problemen goed.
Waarom het verleggen van dit recht? Misschien was er sprake van een groter aanzien en/of speelde de vrijdom van lasten een rol. Deze voordelen kreeg Unico Alberda echter niet. De kerspellieden van Anloo keurden in 1747 de verlegging goed, maar bepaalden dat Alberda de kerke-, kerspel- en boerlasten gewoon moest betalen.

Alberda kwam in 1746 samen met zijn echtgenote Theodora Elisabeth de Sigers ter Borch naar Anloo. In 1747 overleed hun dochtertje, nog geen twee jaar oud; ze kreeg aanvankelijk een graf in het koor van de kerk. Later dat jaar overleed ook zijn echtgenote. Zij werd bijgezet in de grafkelder in de Magnuskerk en haar dochtertje werd daar herbegraven. Vrijwel zeker heeft Alberda in dat jaar deze grafkelder laten bouwen. De kelder is vanaf eind 18e eeuw niet meer gebruikt, raakte geheel uit het zicht en is pas enkele jaren geleden gerestaureerd en weer toegankelijk gemaakt.
Alberda hertrouwde met Johanna Agnes van Dongen tot Vledderinge, die in 1749 van Meppel naar Anloo kwam en samen kregen ze drie kinderen. In 1753 stierf zij in het kraambed. Het zoontje Johannes dat bij deze droevige gebeurtenis werd geboren, overleed al vijf dagen later. Moeder en kind werden bijgezet in de grafkelder van de kerk in Anloo. Dochter Frederika Eva, het eerste kind, stierf in 1768, 19 jaar oud, en is waarschijnlijk ook in de grafkelder bijgezet. De tweede dochter, Josina Peternella, was een langer leven beschoren.
Alberda overleed te Groningen in 1794 en is daar begraven, zijn lichaam is niet in de grafkelder  bijgezet. Op 2 mei 1783 werd de havezate verkocht aan J.Geertsema-Wychel, vredesrechter uit Zutphen, voor een bedrag van 12.100 carolusguldens.

De herenbank van de Alberda’s in de Magnuskerk, met bovenop een heraldische kroon met twee parels en drie fleurons. Met deze herenbank en de grafkelder was het voor iedereen duidelijk dat de adellijke familie Alberda tot Vennebroek de belangrijkste familie in het dorp was.

 

 

Verder lezen:
Bewoners van Vennebroek
Jan de Rijk, een bekwaam houtsnijder
Startpagina Anloo aan de Aa

Reacties zijn gesloten.