Wat is een bisschopshof?

Impressie van het dorpslandschap van Anloo in vogelvlucht gezien vanuit het oosten, met de Bisschopshof in 1300 (gedeelte van een afbeelding gemaakt door Ulco Glimmerveen). De kerk stond aan de rand van het dorp, waarvan de kern lag tussen kerk en Lunsenhof. Het hoofdgebouw van de Bisschopshof zou rechts van de kerk hebben gestaan. Later is hier een dubbele boerderij gebouwd, de huidige boerderij van Wieldraaier is daarvan een gedeelte. Links op de afbeelding is de Weier omcirkeld; hier kan de spieker hebben gestaan en het omgrachte perceel zou ook de locatie van het latere jachthuis van de familie van Nassau kunnen zijn geweest.

 

In de middeleeuwen maakte Drenthe in kerkelijk opzicht deel uit van het bisdom Utrecht; en in 1046 verkreeg de bisschop ook de wereldijke macht; een geschenk van de Duitse keizer, met de bedoeling dat de bisschop een tegenwicht zou vormen tegen vorsten in Duitse bisdommen die de keizer steeds minder in de hand had.

De bisschop bezat in Drenthe meer dan honderd boerderijen, van ongeveer de helft daarvan gebruikte hij de inkomsten voor de eigen huishouding, de rest was in leen gegeven aan bijvoorbeeld kloosters. In Anloo werd een bisschoppelijk hof gevestigd. Zo’n hof was er ook in de stad Groningen in Emmen; en ook in zuidwest-Drenthe, in Diever en in Beilen, kan er zo’n hof zijn geweest en in elk van die dorpen liet de bisschop vlakbij de hof ook eigenkerk bouwen.
Een bisschopshof bestond uit een centraal gelegen grote boerderij met daarbij ook opslagschuren of spiekers om het graan op te slaan dat jaarlijks werd geïnd vanuit de domeingoederen in de wijde omgeving van de hof, alvorens het naar de markt werd gebracht. In Anloo heeft mogelijk zo’n spieker gestaan vlakbij het Anlooërdiepje, op een door grachten omgeven perceel.
De bisschopshoven fungeerden tevens als juridisch centrum (hofgerecht), waar recht werd gesproken over de horigen die op de bisschoppelijke domeinen woonden. En ze dienden de bisschop of diens plaatsvervanger te huisvesten wanneer deze op rondreis of doorreis in Drenthe verbleef, bijvoorbeeld bij de jaarlijkse Etstoel-zitting in Anloo. De hof van Anloo fungeerde als administratief centrum voor de goederen in de dingspelen Oostermoer en Rolder dingspel.

Reconstructie van Groningen (villa Cruoninga) in het jaar 1040, gezien vanuit het noordwesten. Op de voorgrond rechs zien we de Walburgkerk, links daarachter de Maartenskerk en lins daarvan de Bisschopshof (tekening: Ulco Glimmerveen in opdracht van de Stadsarcheologische Dienst Gemeente Groningen).

 

De bisschopshoven laten goed zien dat de kerk en de bisschop in de middeleeuwen (bij ons vooral de twaalfde en dertiende eeuw) een enorme invloed hadden op op het sociale leven. Er was een sterke verwevenheid van kerk en staat. De kerk steunde de staat door de vorming en scholing van mannen die leiding konden geven aan bestuur en rechtspraak, en de staat op zijn beurt verleende bescherming aan de kerk.
Namens de bisschop stond een hofmeijer aan het hoofd van de hof. Deze voerde de administratie en inde de opbrengsten van de boerenerven die behoorden tot de hof. Tevens sprak hij recht over de bewoners van die erven, de zogenaamde hofhorigen. De hofhorigen hadden rechten en plichten, deze waren vastgelegd in de ‘hof-rechten’: de privileges en rechten die werden toegekend aan een hof of landgoed. Deze rechten omvatten vaak juridische, fiscale en bestuurlijke voorrechten, zoals het recht om belastingen te innen, het recht op rechtspraak binnen een grondgebied van het hof en het recht om bepaalde diensten of arbeid te eisen van de hofhorigen. Hofrechten waren een integraal onderdeel van het feodale systeem en speelden een belangrijke rol in de machtsstructuur.
Iedereen die op een hofhorige boerderij werkte was gebonden aan het landgoed of de heer die het land bezat. Hij kon zich wel vrijkopen, maar moest dan voor een wederwissel zorgen, een plaats-vervanger dus. Deze boeren waren verplicht om bepaalde diensten aan de heer te leveren, zoals het betalen van belastingen, het verrichten van arbeid op het landgoed en het afstaan van een deel van hun opbrengst. Hun rechten waren zeer beperkt en ze waren afhankelijk van de bescherming en genade van de heer.
Elk jaar moesten de horigen op de hofdag hun horigheid erkennen. Wie op de hofdag niet op kwam dagen kreeg een boete en bij herhaling werden zijn gebruiksrechten op erf en goederen verbeurd verklaard. Bij een huwelijk moest de man of vrouw horig zijn of worden en de kinderen uit zo’n huwelijk werden ook horig, behalve de jongst-geborene van een tweeling. Kwam de horige te overlijden dan had de heer recht op een deel van het roerende goed. De horige mocht volgens het hofrecht zijn bezit schenken aan zijn kinderen en ook mocht hij zijn bezit verhuren voor de duur van zes jaar.
Horigheid was in de Middeleeuwen in Europa een wijdverspreide vorm van onvrije arbeid en sociaal-economische afhankelijkheid.

 

 

Verder lezen:
De bisschopshof van Anloo
Een spieker voor de pachtopbrengst
Startpagina Anloo aan de Aa

Reacties zijn gesloten.