Ontstaan van de begraafplaats

In de Franse tijd  (1795-1813) werd  op grond van de Code Civil uit 1804 en de Code Pénal uit 1810 het begraven in kerken en kapellen binnen de bebouwde kom verboden. Willem I maakte deze besluiten bij zijn aantreden als Koning der Nederlanden in 1813 echter weer ongedaan. Die situatie bleef tot 1827 bestaan; in dat jaar werd bij Koninklijk Besluit vastgesteld dat per 1 januari 1829 steden en dorpen met meer dan duizend inwoners verplicht waren om tenminste één begraafplaats buiten de bebouwde kom ter beschikking te hebben. De regels met betrekking tot de wijze van begraven, de inrichting van een begraafplaats, de begrafenisrechten en de duur van de grafrust en dergelijke, werden vastgelegd in de Begrafeniswet van 1869. Dit was de eerste landelijke wet. Deze is sindsdien verschillende malen herzien en aangepast en kreeg, na heftige discussies over onder meer het cremeren, in 1955 de naam ‘Wet op de lijkbezorging’. De laatste herziening van deze wet dateert van 1 juli 1991.

Uit een aankoopacte, aanwezig in het gemeentearchief in Gieten blijkt dat de gemeente Anloo in 1828 koopt van Pieter Gankema de Haasakkers, groot ruim 53 Nederlandse Roeden, zwettende ten oosten aan het veld, ten zuiden aan het veld, ten westen aan L.J. Wieldraaijer,  ten noorden aan G. Warrink’. De gemeente Anloo wordt bij deze aankoop vertegenwoordigd door Jan Albert(s) Meursing(e) (*08-02-1795, †04-01-1877), dan burgemeester van Anloo. (Namen worden dan nog vaak verschillend gespeld, ook in de ver­schillende documenten). Uit ‘Verhaal van het verhandelde bij den Burgemeester en Assesoren in de Gemeente van Anloo’ van Zaterdag den 2 Februarij 1828 valt te lezen: ‘Er zal buiten het dorp Anloo eene nieuwe begraafplaats wor­den aangelegd op de zogenoemde Hazekamp,….’.

De aanleg van deze begraafplaats was onder meer nodig omdat het met ingang van 1829 verboden werd om in en om de Magnuskerk te begraven.

Het is dus interessant om te lezen dat het gemeentebestuur van Anloo zich kennelijk verplicht voelt om iets terug te doen voor de kerkvoogden van de Magnuskerk. In hetzelfde verslag wordt in artikel 4 bepaald: ‘Teneinde de kerk­voogden voor het verlies van het inkomen der begraafplaatsen in de kerk schadeloos te stellen, zal aan dezen genoegzame ruimte op het nieuwe kerkhof worden aangewezen, ten einde daarop te hunnen behoeve aan particulieren een of meerdere begraafplaatsen te kunnen ver­kopen’. Later in datzelfde jaar, op maandag 17 November 1828, worden besluiten genomen over de inrichting van de begraafplaats: ‘Is, na deliberatie, besloten,  Art.1 De nieuwe begraafplaats zal in vier gelijke parten verdeeld worden, waarvan het achterste of tweede noorderperk bestemd wordt voor de begraving der lijken, welke geene eigene graven bezitten en voor die der gealimenteerden’. Dit geeft ook een interessant inkijkje in de economische situatie; kennelijk is ongeveer 25% van de bevolking te arm om een eigen plek op de begraafplaats te kopen. De prijs van een graf in eigendom is, volgens datzelfde document, vastgesteld op ‘…een gulden en zulks in twee termijnen, het eerst dadelijk bij het aanwijzen der plaatsen en het tweede in de week na Zuidlaarder herfstmarkt 1829’.

De schadeloosstelling van de kerkvoogden wordt dan ook geregeld: ‘Op het eerste of voorste Noorderperk worden aan de kerkvoogden van Anloo op grond van Art. 7 van het Reglement, gearresteerd bij ons besluit van den 10 October 1828 II N0 48 in eigendom afgestaan twee volle slagen, bevattende te zamen veertig graven, om te strekken tot schadeloosstelling voor het verlies der graven in de kerk, …’.

Belangwekkend is ook dat bij betaling van de tweede termijn aan belangstellenden een bewijs van eigendom zal worden afgegeven.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.